Basiskennis over ons immuunsysteem

Laten we bij het begin beginnen.

Wat betekent het als iemand zegt: "Ik voel me ziek vandaag?" 

Wat is een ziekte?

Door te begrijpen welke soorten ziektes er zijn is het mogelijk te zien  bij welke soorten ziektes het immuunsysteem de helpende hand biedt.
Als je 'ziek' wordt, dan is je lichaam niet in staat correct te functioneren of niet in staat zich vol in te zetten.

 

Er zijn verscheidene manieren om ziek te worden.

Hier zijn er enkele:

  

  1. Mechanische schade.Als je een been breekt of een pees scheurt, dan ben je 'ziek'  (je lichaam is niet in staat voluit te presteren). De oorzaak is makkelijk te onderkennen en ook heel goed zichtbaar.

  2. Tekort aan vitamines en/of mineralen. Als je onvoldoende vitamine D binnenkrijgt kan je lichaam calcium (kalk) niet goed verwerken en je krijgt een ziekte die bekend staat als Engelse ziekte (rachitis). Mensen met rachitis hebben zwakke botten (ze breken gemakkelijk) die bovendien vervormen omdat ze niet goed groeien. Als je onvoldoende vitamine C krijgt dan krijg je scheurbuik, waardoor gezwollen en bloedend tandvlees ontstaat, gezwollen gewrichten en blauwe plekken. Als je niet genoeg ijzer binnenkrijgt dan ga je aan anemie lijden, enz.

  3. Orgaandegeneratie. In sommige gevallen is een orgaan beschadigd of verzwakt. Een vorm van hartfalen wordt bijvoorbeeld veroorzaakt door verstopping van bloedvaten die naar de hartspier leiden, zodat deze spier niet voldoende bloed krijgt. Een bepaalde vorm van leverziekte die bekend staat als cirrose, wordt veroorzaakt door schade aan de levercellen (overmatig alcoholgebruik is zo'n oorzaak).

  4. Erfelijke ziekte. Een erfelijke ziekte wordt veroorzaakt door een foute code in het DNA. De foutcode veroorzaakt te grote of te kleine aanmaak van bepaalde eiwitten, hetgeen problemen geeft op het celniveau. Albinisme wordt bijvoorbeeld veroorzaakt door een tekort aan het enzym tyrosinase. Het ontbrekende enzym is er de oorzaak van dat het lichaam geen melanine kan maken, het natuurlijk pigment dat zorgt voor haarkleur, oogkleur en het bruin worden. Door dat gebrek aan melanine zijn mensen met dit erfelijke probleem extreem gevoelig voor UV-straling in het zonlicht.

  5. Kanker. Af en toe kan een cel zodanig veranderen dat deze zich oncontroleerbaar gaat delen. Cellen in de huid, melanocyten bijvoorbeeld, kunnen door UV zodanig beschadigd raken dat ze kankercellen worden. De zichtbare vorm van kanker, de tumor die dan ontstaat, wordt melanoom genoemd.

  6. Infectie door virussen of bacteriën. Als een virus of een bacterie (soms ook algemeen met de term ziektekiem aangeduid) je lichaam binnendringt en zich daar vermenigvuldigt, levert dat normaliter problemen. In het algemeen produceren die ziektekiemen nevenproducten die ons ziek maken. De rijtjesbacterie (Streptococcus) maakt bijvoorbeeld een gifstof (toxine) vrij die de ontsteking in je keel veroorzaakt. Het polio-virus geeft gifstoffen af die zenuwcellen vernietigen, hetgeen vaak leidt tot verlamming. Enkele soorten bacteriën zijn goedaardig of heilzaam (wij hebben bijvoorbeeld miljarden bacteriën in ons darmkanaal en die helpen ons voedsel te verteren), maar heel veel soorten zijn schadelijk als ze in onze bloedsomloop terechtkomen.

Virale en bacteriële infecties vormen veruit de meest algemene aanleidingen tot ziekte bij de mens. Ze veroorzaken dingen als verkoudheid, griep, mazelen, bof, malaria, aids enzovoorts. De taak van het immuunsysteem is je te beschermen tegen dit soort infecties.

  

Het immuunsysteem beschermt je op drie verschillende manieren:

  

  1. Het vormt een barrière die voorkomt dat bacteriën en virussen je lichaam binnendringen.

  2. Als een virus of een bacterie toch je lichaam is binnengedrongen, dan tracht het immuunsysteem die kiem te detecteren en te elimineren aleer deze zich kan innestelen en voortplanten.

  3. Als het virus of de bacterie in staat is zich te vermenigvuldigen en problemen veroorzaakt, is je immuunsysteem verantwoordelijk voor het verwijderen ervan.

  

Het immuunsysteem heeft ook een reeks andere belangrijke taken.

Je immuunsysteem kan bijvoorbeeld kanker in een vroeg stadium ontdekken en deze kanker dan ook in veel gevallen uitschakelen.

  

Bacteriën en virussen

 

Bacteriën: 

Wij zijn een meercellig organisme dat wel uit 100 biljoen (10 met 14 nullen = 10 14 ) cellen bestaat. Bedenk vervolgens dat elke cel een behoorlijk gecompliceerd geheel is. Elke cel heeft een kern, een energievoorziening (mitochondriën), etc. Bacteriën zijn eencellige organismen die veel simpeler zijn. Ze hebben bijvoorbeeld geen kern. Ze zijn misschien maar 1/100 van de grootte van een menselijke cel.
Bacteriën zijn helemaal zelfstandige organismen die geweldig kunnen overheersen, vernietigen, eten en vermenigvuldigen. Dit lukt hen ook in die met vloeistof gevulde zak, dat we ons lichaam noemen. Onder ideale omstandigheden kunnen ze zich heel snel voortplanten. Ze kunnen zich elke 20 à 30 minuten in tweeën delen. Met dat tempo kan één bacterie in luttele uren wel miljoenen nakomelingen produceren, nl. in het geval van 20 minuten wordt dat 23 per bacterie/uur ofwel 23n per bacterie/n uur. Na 10 uur (230) is dat meer dan 1 miljard.

  

Virussen:

Een virus is van een totaal ander slag. Een virus leeft niet echt en daarom rekenen we virussen ook niet tot de organismen. Een virus is niks anders dan een stukje DNA met een  beschermend manteltje. Als het virus in contact komt met een cel dan hecht ze zich daar aan vast en spuit zijn DNA (en misschien enkele enzymen) in de cel. Het DNA gebruikt dan de mechanismen binnen die levende cel om nieuwe virus-deeltjes te maken. Eventueel gaat de gekaapte cel dood en barst open om de nieuwe virusdeeltjes de vrijheid te geven of de virusdeeltjes kunnen zich knopvormig afsnoeren, zodat de cel in leven blijft. In beide gevallen dient de cel als virusfabriek .

 

Onderdelen van het immuunsysteem:
Een van de grappigste dingen van het immuunsysteem is dat het je hele leven binnen in je lichaam werkzaam is en dat je er waarschijnlijk voor geen snars weet van hebt. Je bent je er waarschijnlijk van bewust dat je in je borstkas een orgaan hebt zitten dat we een 'hart' noemen. Wie weet dat niet? Je hebt er waarschijnlijk ook weet van dat je longen, een lever en nieren hebt. Maar wie heeft er gehoord van een thymus? Er is een gerede kans dat je zelfs niet weet dat je een thymus hebt en toch zit dat ding in je borstkas vlak naast je hart. Er zijn een heleboel andere delen van het immuunsysteem die minstens even onbekend zijn, dus laten we beginnen over al die onderdelen iets op te steken.

 

Het meest duidelijke, zichtbare en ook heel belangrijke deel van ons immuunsysteem is onze huid. Die fungeert als primaire grens tussen ziektekiemen en ons lichaam. Ten dele werkt onze huid net als een plastic folie die we over etenswaren spannen. De huid is taai en doorgaans ondoordringbaar voor virussen en bacteriën. De opperhuid (epidermis) bevat speciale cellen, zogenaamde cellen van Langerhans (ze zitten verspreid tussen de pigmentcellen (melanocyten) in de onderste laag (kiemlaag) van de opperhuid) die een onderdeel vormen van het snelle waarschuwingssysteem bij onze afweer. De huid scheidt ook antibacteriële stoffen af. Die stoffen zorgen er voor dat we 's ochtends niet wakker worden met een laag schimmel op onze huid. De meeste bacteriën en sporen die op onze huid landen gaan snel dood. Je neus, mond en ogen zijn ook duidelijke invalswegen voor ziektekiemen. Tranen en slijm bevatten een enzym (lysozym) waarmee de celwanden zjn bekleed. Veel ziektekiemen, die niet direct worden gedood, worden gevangen in het slijm en vervolgens doorgeslikt. In de wand van neus, keel, longen en in de huid zitten mestcellen (mastocyten, een soort witte bloedlichaampjes). Welke bacterie of virus dan ook, het moet eerst langs deze defensies kunnen komen voordat de bacterie afbreekt. Speeksel werkt antibacterieel. De neusdoorgang en de longen ook. Eenmaal binnen het lichaam, krijgt de ziektekiem te maken met het immuunsysteem op veel verschillende niveaus.

 

De hoofdcomponenten van het immuunsysteem zijn:

  • Thymus

  • Milt

  • Lymfesysteem

  • Beenmerg

  • Witte bloedcellen

  • Antistoffen (antilichamen)

  • Complement systeem

  • Hormonen

  • Darmflora

  

Laten we deze componenten eens apart bekijken.

Thymus:
De thymus ligt in onze borstkas tussen het borstbeen en het hart. Zij is verantwoordelijk voor de productie van T-cellen en is speciaal van belang in netgeboren baby's - zonder thymus stort het immuunsysteem van de baby in elkaar en het zal sterven. De thymus blijkt veel minder belangrijk te zijn bij volwassenen - je kunt hem dan verwijderen en de volwassene zal gewoon verder kunnen, omdat andere delen van het immuunsysteem de taak overnemen. Toch is de thymus belangrijk en wel specifiek voor de rijping van T-cellen. Dit zijn een soort witte bloedlichaampjes waarover we hierna meer zullen lezen.

Milt:
De milt filtert het bloed op zoek naar vreemde cellen. Dat betekent dat de milt ook kijkt naar oude rode bloedcellen, die moeten worden vervangen. Iemand zonder of met een slecht functionerende milt wordt dan ook veel vaker ziek, dan iemand met een goed functionerende milt.

  

Het lymfe-systeem:
Het lymfesysteem is wel het meest bekend bij mensen, omdat dokters en moeders vaak in de halsregio controleren op 'gezwollen lymfeklieren'. Het blijkt dat de lymfeklieren een onderdeel vormen van een vaatsysteem dat door ons hele lichaam zit, vergelijkbaar met ons bloedvaatstelsel. Het grote verschil tussen de bloedstroom in de bloedvaten en de lymfestroom in de lymfevaten is dat het bloed actief door het hart wordt rondgepompt en dat de lymfestroom passief is. Er is geen 'lymfepomp' zoals de 'bloedpomp' (het hart). In plaats daarvan sijpelt vocht in het lymfevaatsysteem en wordt door normale lichaam- en spierbewegingen voortgeduwd in de richting van de lymfeklieren. Het lijkt verdacht veel op de leidingwateraanvoer en de rioolwaterafvoer in onze samenleving. Water wordt onder druk voortgeduwd, de rioolafvoer gaat passief en stroomt dank zij de zwaartekracht (ofschoon dat laatste in onze huidige samenleving niet altijd meer klopt (persdruksysteem), maar misschien daardoor wel nog beter vergelijkbaar met ons lymfesysteem). Lymfe is een tamelijk heldere vloeistof die de cellen omspoelt met water met daarin voedingsstoffen. Lymfe is bloedplasma - grofweg bloedvloeistof minus de rode en witte bloedcellen. Denk er eens over na. Elke cel heeft niet zijn eigen bloedvoorziening en toch, om te overleven, moet ze voedsel, water en zuurstof krijgen. Bloed draagt deze stoffen via de wand van de haarvaten over aan de lymfe en de lymfe brengt deze stoffen naar de cel. De cel produceert eiwitten (o.a. hormonen) en afvalproducten die door de lymfe worden opgenomen en weggevoerd. Elke willekeurige bacterie die het lichaam binnenkomt, vindt ook zijn weg naar die vloeistof tussen de cellen, de intercellulaire vloeistof (NB. Er zijn maar graduele verschillen tussen bloedplasma, intercellulaire vloeistof en lymfe). Een taak van het lymfesysteem is de bacteriën uit deze vloeistof te filteren. Kleine lymfvaten verzamelen de (intercellulaire) vloeistof en brengen die via de grotere vaten naar de lymfeknopen of -klieren waar deze wordt 'bewerkt'. Lymfeknopen zijn in het bezit van filtreerweefsel en een groot aantal lymfecellen. Als bepaalde infectiebacteriën bevochtigd worden, dan zwellen de lymfeklieren op. Dit gebeurt zowel door de bacteriën als door de cellen die de bacteriën bevechten. Daardoor kun je ze ook echt voelen omdat ze dik zijn geworden. Gezwollen lymfeklieren zijn een goede indicatie dat je een of andere infectie hebt opgelopen. Als de lymfe is gefilterd in de lymfeknopen, dan komt ze terug in de bloedstroom.

 

Beenmerg:
Beenmerg produceert nieuwe bloedcellen, zowel rode, witte en als bloedplaatjes. De rode bloedcellen worden volledig gevormd in het beenmerg. Vandaar komen ze dan in de bloedstroom. Sommige witte bloedcellen komen op een andere plek tot rijping. Het merg produceert alle bloedcellen vanuit stamcellen. Ze worden 'stamcellen' genoemd vanwege het feit dat ze zich kunnen aftakken en tot veel verschillende cellen uitgroeien. Ze zijn de broncellen en de voorlopers van vele verschillende celtypen. Stamcellen veranderen in werkelijk heel specifieke soorten witte bloedcellen. Hoe specifiek en welke invloeden ze hebben, moet de wetenschap in de nabije toekomst nog tot uitkomst bieden.

 

Witte bloedcellen:
Witte bloedcellen of leukocyten, (van het oudgrieks, witte cel) zijn cellen met een celkern die zich in het bloed bevinden. Ze maken maar een heel klein deel uit van de cellen in het bloed. Op iedere witte bloedcel zijn er vele honderden rode bloedcellen, maar de witte bloedcellen zijn wel een stuk groter. Ze vormen een belangrijk component van het immuunsysteem. Witte bloedcellen spelen ook een rol bij sommige allergische reacties, zoals een type I-allergie.

 

Soorten:

Er zijn verschillende soorten witte bloedcellen. Een manier om deze onder te verdelen is, door aan- of afwezigheid van granulen in het cytoplasma van de cel.

  • granulocyten: Bij deze soort zijn er granulen aanwezig en kan onderverdeeld worden in 3 soorten: de basofiele granulocyten, de neutrofiele granulocyten en de eosinofiele granulocyten.

  • agranulocyten: Bij deze soort zijn er geen granulen aanwezig en kan onderverdeeld worden in 3 soorten: de lymfocyten, de monocyten en de macrofagen.

De verschillende soorten witte bloedcellen hebben elk hun eigen specifieke functies. Welke zij over het algemeen uitvoeren door middel van celvraat (fagocytose), door het lozen van pakketjes met actieve stoffen (degranulatie). Of het presenteren van antigenen aan andere cellen, die op hun beurt cellen aanzetten tot het produceren van antilichamen

 

Antistoffen - antilichamen:
In Nederland. gebruiken we meer de term antistoffen dan antilichamen. Alle antistoffen zijn eiwitten (gammaglobulinen), die 'immunoglobulinen' worden genoemd. Ze worden geproduceerd door de witte bloedcellen. Het zijn Y-vormige eiwitmoleculen die kunnen reageren met een specifiek antigeen (bacterie, virus of gifstof). Elk antilichaam heeft (aan de punt van de beide vorken van de Y) een speciaal gebied dat gevoelig is voor een specifiek antigeen en daar dan op een of andere manier mee bindt. Dit zijn de zgn. Fab = fragment antigen-binding sites. De onderkant van de Y is het Fc deel - fragment crystallizable site. Dat niet mee helpt aan de herkenning, maar met het koppelen aan o.a. fagocyten en mestcellen. Als een antilichaam zich bindt aan een gifstof (toxine), dan noemen we het antilichaam een antitoxine. In het algemeen maakt die verbinding de werking van het toxine ongedaan. Als een antistof zich bindt aan de buitenkant van een virus of aan de celwand van een bacterie, dan kan de antistof daarmee verhinderen, dat ze door een celmembraan dringen. Als een heleboel antistoffen zich aan een indringer binden, dan kunnen ze dienen als een signaal voor het complementsysteem, dat de indringer verwijderd moet worden.

 

Antistoffen komen voor in vijf klassen:

  1. Immunoglobuline A (IgA)

  2. Immunoglobuline D (IgD)

  3. Immunoglobuline E (IgE)

  4. Immunoglobuline G (IgG)

  5. Immunoglobuline M (IgM)

  

Als je dus ergens in een medisch artikel de afkorting IgE tegenkomt dan weet je dat ze het over een antistof hebben. Voor aanvullende informatie over antistoffen kun je terecht bij de ARP = Antibody Resource Page.

  

Complementsysteem:
Het complementsysteem bestaat net als de antistoffen uit een rijtje eiwitten. Er zijn miljoenen verschillende antistoffen in onze bloedsomloop, die elk gevoelig zijn voor een speciaal (beter specifiek) antigeen. Er zijn slechts een handvol eiwitten van het complementsysteem die vrijelijk in je bloed ronddrijven. De complement-eiwitten worden gemaakt in de lever en ze worden geactiveerd door en werken samen met (vandaar de naam complement) de antistoffen. Ze veroorzaken lysis (= het openbarsten) van cellen en geven een signaal aan de fagocyten dat deze cellen opgeruimd moeten worden.

  

Hormonen:
Er worden veel verschillende hormonen voortgebracht door het immuunsysteem. Deze hormonen staan algemeen bekend als delymfokines. Het is ook bekend dat bepaalde hormonen in het lichaam het immuunsysteem onderdrukken. Steroïden en corticoïden (componenten van adrenaline) onderdrukken het immuunsysteem. Tymosine (een hormoon dat gedacht wordt door de thymus te zijn geproduceerd) is een hormoon dat de lymfocytenproductie aanzet. Een lymfocyt is een bepaald soort witte bloedcel (zie hierna). Interleukinen, een bepaalde groep van de lymfokinen, vormen een ander type hormoon, dat wordt geproduceerd door de witte bloedlichampjes. Interleukine-1 (IL-1) bijvoorbeeld wordt geproduceerd door macrofagen nadat ze vreemde cellen hebben gegeten. IL-1 heeft een interessant bij-effect. Als het de hypothalamus bereikt dan veroorzaakt het koorts en vermoeidheid. De verhoogde temperatuur bij koorts staat hierom bekend, dat het sommige bacteriën kan doden.

Darmflora

Dit is 70% van ons immuunsysteem.

 

Tumor Necrose Factor.
De Tumor Necrose Factor (TNF) wordt ook geproduceerd door macrofagen. TNF is in staat tumorcellen te doden en kan een aanzet geven tot het vormen van nieuwe bloedvaten en is daardoor belangrijk bij genezing.

 

Interferon:
Interferon interfereert met virussen (vandaar de naam) en wordt vrijwel door alle cellen in ons lichaam geproduceerd. Interferonen zijn eiwitten net als antistoffen en complementfactoren. Hun taak is dat cellen signalen aan elkaar kunnen geven. Als een cel interferon van een andere cel bespeurt gaat de cel eiwitten maken die de replicatie van virussen in de cel voorkómen.

  

Witte bloedcellen:
Je bent je waarschijnlijk bewust van het feit dat je rode en witte bloedcellen in je bloed hebt. De witte bloedcellen vormen waarschijnlijk het belangrijkste deel van je afweersysteem. Het blijkt dat de witte bloedcellen uit een hele collectie verschillende cellen bestaan die samen in staat zijn bacteriën en virussen te vernietigen. Hier volgen in willekeurige volgorde de verschillende types, namen en klassen van de witte bloedlichaampjes die, ook nu, in je lichaam werkzaam zijn:

  • leukocyten

  • lymfocyten

  • monocyten

  • granulocyten

  • B-cellen

  • plasmacellen

  • T-cellen

  • T-helpercellen

  • T-killercellen

  • T-suppressorcellen

  • natuurlijke killercellen

  • neutrofielen

  • eosinofielen

  • basofielen

  • fagocyten

  • macrofagen.

  

Het leren van al deze namen en ook nog de functie van elk celtype kost een beetje moeite. Maar je kunt daardoor wetenschapelijke artikelen veel beter begrijpen, als je de boel eenmaal hebt uitgepluisd. Nu dan een vlotte samenvatting om je te helpen de verschillende types in de grijze massa op een rijtje te krijgen. Alle witte bloedcellen staan wetenschappelijk te boek als leukocyten. Witte bloedcellen gedragen zich niet als normale cellen in het lichaam. Het zijn eigenlijk onafhankelijk levende eencellige organismen, die zich kunnen voortbewegen en zelfstandig dingen kunnen vangen. Witte bloedcellen gedragen zich, wat voortbewegen en omvloeiing van andere cellen en bacteriën betreffen, heel sterk als amoeben. Weliswaar kunnen de witte bloedcellen zich niet delen en vermenigvuldigen. Maar zij hebben in plaats daarvan een productieplaats in het lichaam. Die productieplaats is het beenmerg.

  

Leukocyten worden verdeeld in drie klassen: 

 

1. Granulocyten 
Zijn 50 tot 60 % van alle leukocyten.

Binnen de granulocyten komen ook weer vier klassen voor, namelijk:

 

  • Neutrofielen, eosinofielen en basofielen.

  • Granulocyten, danken hun naam aan het feit, dat ze granulen (korreltjes) bevatten. De korreltjes zijn in werkelijkheid blaasjes (vesiculae), met  afhankelijk van het type cel, verschillende soorten chemicaliën.

  • Lymfocyten zijn 30 tot 40 % van alle leukocyten. Lymfocyten vallen uiteen in twee groepen: B-cellen welke in het beenmerg uitrijpen en  T-cellen welke in de thymus rijpen.

  • Monocyten zijn ongeveer 7% van alle leukocyten. Monocyten ontwikkelen zich tot macrofagen.

  

Ieder type witte bloedcel heeft zijn specifieke rol in het immuunsysteem en een heleboel zijn in staat zich heel verschillend om te vormen.

  

De onderstaande beschrijvingen moeten je helpen de rol van de verschillende cellen te begrijpen.

 

2. Neutrofielen

zijn veruit de meest algemene witte bloedlichaampjes die je in het bloed hebt zitten. Je beenmerg produceert er dagelijks talloos veel en laat ze in de bloedstroom vrij. Maar hun levensverwachting is kort. Vaak minder dan één dag. Eenmaal in de bloedstroom aangekomen, kunnen de neutrofielen door de capillairwand heen in het weefsel komen. Neutrofielen worden aangetrokken door vreemd materiaal, ontstekingen en bacteriën. Bij een splinter of een snee zullen neutrofielen aangetrokken worden door een proces dat chemotaxis wordt genoemd. Veel eencelligen passen ook deze methode toe. Chemotaxis doet de cellen, die zich kunnen bewegen, gaan in de richting van een hoger wordende concentratie van stoffen. Als een neutrofiel eenmaal een vreemd deeltje of een bacterie heeft gevonden dan zal die neutrofiel dat deeltje omvloeien (ofwel door fagocytose opnemen). Daarbij worden enzymen, waterstofperoxide en andere stoffen vanuit de 'korreltjes' (de vesiculae) in het fagocytoseblaasje (fagosoom) vrij gelaten om zo de bacterie te doden. Op een plek waar massa's bacteriën de kans hebben gezien zich te vermeerderen, zal zich pus (etter) gaan vormen. Pus is niets anders dan een verzameling dode neutrofielen en ander cel afval.

 

3. Eosinofielen en basofielen 

zijn veel minder algemeen dan nuetrofielen. Eosinofielen schijnen gefocussed te zijn op parasieten in huid en longen. Terwijl basofielen histamine in hun vesiculae hebben. Daardoor zijn zij samen met de mestcellen in hoge mate verantwoordelijk voor de oorzaak van een ontsteking. Vanuit het immuunsysteem bezien is ontsteking een goed iets. Er wordt meer bloed aangevoerd en het verwijdt de haarvaten zodat meer immuuncellen op de plaats van de infectie kunnen komen.Van alle bloedcellen zijn de macrofagen het grootst. Monocyten worden door het beenmerg afgegeven. Zij komen in de bloedstroom en gaan de weefsels binnen, alwaar ze in macrofagen veranderen. De meeste grensweefsels hebben hun eigen specifieke macrofagen. Alveolaire macrofagen bijvoorbeeld zitten in de longen en houden deze schoon. Zij vreten vreemde deeltjes, zoals van rook en stof op. Macrofagen worden cellen van Langerhans genoemd, als ze in de huid zitten. Macrofagen zwemmen of kruipen vrij rond. Een van hun taken is het opruimen van dode neutrofielen. Macrofagen ruimen ook pus op tijdens het genezingsproces. De lymfocyten werken af met de meeste bacteriële en virale infecties, die we binnen krijgen. Lymfocyten starten in het beenmerg. Degene die voorbestemd zijn om B-cellen te worden, ontwikkelen zich in het beenmerg, alvorens in de bloedstroom te komen. 

T-cellen beginnen ook in het beenmerg maar migreren met de bloedstroom naar de thymus (zwezerik) en rijpen daar uit. T-cellen en B-cellen kom je vaak tegen in de bloedsomloop. Maar zij komen toch meer geconcentreerd voor in lymfatisch weefsel zoals de lymfeklieren, de thymus en de milt. Er zit nog heel wat lymfklierweefsel in ons verteringskanaal (plaques van Peyer). B-cellen en T-cellen hebben verschillende taken. Als B-cellen daartoe geprikkeld worden, dan rijpen ze uit tot plasmacellen. Dit zijn de productiecellen van de antistoffen. Een specifieke B-cel is afgestemd op een specifieke ziektekiem. Als zo'n ziektekiem zich in het lichaam bevindt, dan kloont de B-cel zich en de kloon produceert dan massa's antistoffen. Deze zijn speciaal ontworpen om dié ziektekiem te elimineren. Anderszins storten de T-cellen zich als het ware op (vreemde) cellen en doden die dan. T-cellen die bekend staan als T-killercellen kunnen cellen in je lichaam opsporen, die virussen in zich dragen. En als ze die eenmaal te pakken hebben worden deze virusdragende cellen gedood. Twee andere typen T-cellen, die bekend staan als T-helpercellen en B-suppressorcellen, stellen de gevoeligheid (de ondernemingslust) van de T-killercellen in en oefenen zo controle op de immuunrespons. T-helpercellen zijn werkelijk heel belangrijk en heel interessant. Ze worden geactiveerd door interleukine-1 van de macrofagen. Als de helper-cellen dan geactiveerd zijn, dan produceren zij interleukine-2, daarna interferon en andere stofjes. Deze stoffen activeren weer de B-cellen zodat zij hun antistoffen gaan produceren. De complexiteit en niveau van wisselwerking tussen neutrofielen, macrofagen, T-cellen en B-cellen is werkelijk zeer opmerkelijk.

  

Omdat witte bloedcellen een zo belangrijke factor zijn in ons immuunsysteem kunnen ze ook dienen als maat voor de gezondheid van het afweersysteem.

Als je hoort dat iemand een "sterk afweersysteem" of een "verzwakt systeem" heeft, dan is een manier om daar achter te komen het tellen van zijn verschillende typen witte bloedlichaampjes. Het normale aantal witte bloedcellen ligt tussen 4000 en 11000 cellen per microliter (= kubieke millimeter). Hierin moeten dan normaliter 1,8 á 2,0 helper T-cellen voorkomen per suppressor T-cel. Een normale absolute neutrofielen count (telling) of ANC ligt in de orde van grootte van 1500 tot 8000 cellen per mm3. Een artikel kan je helpen meer gewaar te worden over witte bloedlichaampjes in het algemeen en de verschillende typen bloedcellen die je in je lichaam tegen kunt komen.

  

Een belangrijke vraag om te stellen over witte bloedlichaampjes en andere delen van het immuunsysteem is:

  - "Hoe weet een witte bloedcel wat aan te vallen en waarvan af te blijven?" 

  - "Waarom valt een witte bloedcel niet elke cel in het lichaam aan?"

Er is een speciaal veiligheidssysteem ingebouwd in alle cellen en dat heet het Major Histocompatibility Complex (MHC). Het staat ook bekend als het Humaan Leukocyten Antigeen (HLA). Dit systeem bestempeld (in molecuulvorm) cellen in je lichaam als "eigen".

 

Alles wat het immuunsysteem vindt dat niet deze molecuulkenmerken draagt (of wijzigingen daarin) wordt zonder pardon als "niet eigen" beschouwd waar vrijelijk jacht op kan worden gemaakt.

 

De Encyclopedia Brittanica zegt het volgende over het MHC: 

Er zijn twee hoofdklassen van MHC eiwitmoleculen - klasse I en klasse II - die de membraan van bijna alle cellen in een organisme omspannen. Bij de mens liggen de verschillende genen voor het maken van deze eiwitmoleculen geclusterd in eenzelfde gebiedje op chromosoom 6. Elk gen heeft een ongewoon (groot) aantal allelen (dus alternatieve vormen van een gen). Het resultaat daarvan is dat het zelden voorkomt dat twee mensen eenzelfde setje MHC-moleculen zouden hebben, dus eenzelfde 'weefseltypering' zouden hebben, zoals men dat in het algemeen uitdrukt. MHC-moleculen zijn belangrijke componenten in de afweer. Ze stellen cellen, die besmet zijn met vreemde indringers, in staat opgespoord te worden door cellen van het immuunsysteem, zoals T-lymfocyten of T-cellen. De MHC-moleculen doen dit door stukjes eiwit (peptiden) van de indringer te tonen (presenteren) op het oppervlak van de cel. De T-cel herkent dat vreemde peptide op het MHC-molecuul. Zij koppelt daaraan, een actie die de T-cel stimuleert, de geïnfecteerde cel te vernietigen dan wel te repareren. In niet geïnfecteerde gezonde cellen presenteren de MHC-moleculen peptiden van zichzelf (eigen peptides), waarop de T-cellen normaliter niet reageren. Als dit MHC-systeem echter niet goed functioneert en T-cellen dus reageren op "eigen peptides", dan doet zich een auto-immuun-ziekte voor.

  

De toepassing van al deze kennis.
Nu, nadat je de tijd er voor hebt genomen al deze feiten over het immuunsysteem te leren, ga je ook een heleboel dingen uit het immuunsysteem in een nieuw licht bezien. De volgende paragrafen leiden je langs verschillende topics die met het immuunsysteem hebben te maken.

  

Hoe vaccinaties werken:
Er zijn heel veel ziektes die, als je ze eenmaal hebt gehad, je nooit meer terug zult krijgen. Mazelen en waterpokken zijn daar een goed voorbeeld van. Wat bij deze ziektes gebeurt is het volgende. De verwekker dringt het lichaam binnen en begint zich daar te vermenigvuldigen. Het immuunsysteem schakelt daarbij naar eenhogere snelheid om ze te elimineren. Nu zitten er in je lichaam al B-cellen, die dat virus kunnen herkennen en er ook antistoffen tegen kunnen maken. Het zijn er echter maar een paar. Als dus die specifieke ziekte wordt onderkend door deze enkele specifieke B-cellen, veranderen deze B-cellen in plasmacelen. Ze klonen zich en beginnen antistoffen naar buiten te pompen. Dit proces vergt tijd. Maar de ziekte wordt ingehaald en uiteindelijk uit het lichaam gebannen. Bij de uitbanning van deze ziekteverwekkers klonen andere B-cellen zich ook, maar geven geen antistoffen af. Deze tweede voorraad B-cellen blijft jaren in je lichaam (geheugen-B-cellen). Als de ziekteverwekker opnieuw in je lichaam komt dan zorgen deze ervoor dat ze al worden verwijderd, voordat ze schade aan kunnen richten.

  

Een vaccin is een verzwakte vorm van de ziekteverwekker.

Het is of een gedode vorm van de verwekker of het is een minder virulente stam ervan. Als deze verzwakte vormen of restanten ervan in het lichaam komen, dan wordt dezelfde verdedigingsstrategie gehanteerd. Omdat de verwekker anders of zwakker is, krijg je nauwelijks of geen symptomen van de ziekte. Als nu later de echte ziekteverwekker je lichaam binnenkomt dan is je lichaam onmiddellijk in staat deze te verwijderen. Vaccins zijn er voor allerlei soorten, zowel virale als bacteriële ziekten. Denk maar aan de vaccinaties op het kruisgebouw: DKTP, de cocktail van difterie, kinkhoest, tetanus en polio(myelitis), BMR tegen bof, mazelen en rode hond. Ook Hib tegen Haemophilus influenzae type B, die tegelijk met DKTP wordt gegeven. Veel ziektes kunnen echter niet met vaccins worden voorkomen. De gewone verkoudheid en griep zijn daar twee goede voorbeelden van. De ziekteverwekkers van deze ziektes muteren zo snel of hebben zoveel verschillende stammen in het wild, dat het onmogelijk is die allemaal in je lichaam te enten. Elke keer als je griep krijgt, heb je met een verschillende stam van dezelfde ziekte te maken.

  

Hoe AIDS werkt:
AIDS (Acquired Immune Deficiency Sydrome) is een ziekte die wordt veroorzaakt door het HIV (Human Immunodeficiency Virus). Dit is een bijzonder problematische ziekte voor het immuunsysteem omdat het virus in feite cellen van het immuunsysteem zelf aanvalt. In het bijzonder reproduceert het virus zich in de T-helpercellen zodat deze afsterven. Zonder T-helpercellen, om de boel te sturen, klapt het immuunsysteem in elkaar. De patiënt overlijdt aan een of andere ziekte (bijv. een longontsteking) waarvan hij normaliter nooit last zou hebben gehad. Er is een gigantische hoeveelheid literatuur over AIDS beschikbaar op het web. Deze lijst kan als een goed startpunt dienen als je er meer over wilt weten:

  •  AIDS Research

  •  AIDS and HIV Drugs

  •  AIDS research and treatment

  

Hoe antibiotica werken:
Soms is je immuunsysteem niet in staat zichzelf snel genoeg te activeren, om zo de groei van een ziekteverwekkerkolonie voor te blijven. Of de bacteriën produceren een gifstof zo snel, dat er blijvende schade wordt aangericht, voordat het immuunsysteem in staat is deze te elimineren. In die gevallen zou het leuk zijn, om het immuunsysteem een handje te helpen, door de kwade bacterie direct te doden.

  

Antibiotica werken tegen bacteriële infecties.

Antibiotica zijn stoffen die wel de bacteriecellen doden, maar niet de andere goede cellen van je lichaam. Veel antibiotica bijvoorbeeld, verstoren de celwandsynthese in het inwendige van de bacteriën. Menselijke cellen hebben niet die stofwisselingsprocessen voor het maken van een celwand. Onze cellen hebben niet zo'n celwand, dus richten die antibiotica bij ons ook geen schade aan. Verschillende antibiotica werken op verschillende delen van de bacteriële stofwisseling. Hierdoor zijn antibiotica meer of minder geschikt bij bepaalde typen bacteriën.

Je ziet, omdat virussen geen levende wezens zijn, dat antibiotica daar geen vat op hebben.

  

Een probleem met die antibiotica is, dat ze hun effectiviteit na verloop van tijd verliezen. Neem een antibioticum dat in de loop van een week alle bacteriën zal doden. Je zult je veel beter voelen, meestal al na een dag of twee. Dit komt omdat het antibioticum het gros van de bacteriën dan al te pakken heeft. Heel af en toe zal een nakomeling van een bacterie een mutant zijn, die in staat is te overleven, ondanks het specifieke antibioticum. Deze bacterie zal zich voortplanten. Dan hebben we een gemuteerde, nieuwe kolonie ziekteverwekkers. Uiteindelijk zal deze nieuwe stam of kolonie iedereen infecteren en het oude antibioticum heeft er dan geen vat meer op. Deze ontwikkeling wordt heden ten dage steeds meer een nijpend probleem en baart de medische wereld grote zorg.

Bovendien heeft de meeste antibiotica een bijwerking, dat ze de darmflora in de darmen aantasten, waar ongeveer voor 70% het immuuunsysteem wordt gevormd.

  

Als het immuunsysteem fouten maakt:
Soms maakt het imuunsysteem een fout. Eén soort van vergissing wordt autoimmuniteit genoemd. Het immuunsysteem valt, net als bij een ziektekiem, om de een of andere reden je eigen lichaamsmateriaal aan.

Twee, vrij algemeen voorkomende ziektes, worden veroorzaakt door deze fouten van het immuunsysteem:

1. Jeugd-diabetes,

    doordat het immuunsysteem de cellen in de alvleesklier doodt die insuline moeten produceren.

 

2. Reumatoïde artritis,

    wordt veroorzaakt doordat het immuunsysteem het kraakbeenmateriaal in de gewrichten aanvalt.

 

Eigenlijk zijn nagenoeg alle chronische ziektes, van astma tot allergie, auto-immuunziektes. Ziektes die veroorzaakt worden door het verkeerd functioneren van je eigen afweersysteem. Vergelijk een leger die het eigen leger aanvalt, omdat zij niet herkennen wie de vijanden en hun eigen soldaten zijn, omdat zij bijvoorbeeld dezelfde tenue hebben of de houding hebben alsof zij de vijanden zijn. 

 

Allergieën:
Allergie is niets anders dan een soort ontsporingsvorm van het immuunsysteem. Om de een of andere reden reageert het immuunsysteem (ons afweersysteem), bij mensen met allergie veel te sterk op een allergeen, dat normaliter genegeerd had moeten worden. Het allergeen kan een bepaald voedsel zijn of een bepaald type stuifmeel of haartjes van een bepaalde dierenvacht. Als bijvoorbeeld een persoon allergisch is voor een bepaald soort stuifmeel dan krijgt hij een loopneus, waterige ogen, niesbuien, etc. Deze reactie wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door mestcellen (mastocyten), ofwel basofielen van de slijmvliezen van neus, darm en huid. Als reactie op het stuifmeel, geven de mestcellen histamine en histamine, het effect van een beginnende ontsteking. Hierdoor komt er vocht uit de bloedvaten. Histamine veroorzaakt bovendien ook jeuk. Om deze symptomen te onderdrukken heb je natuurlijke anti-histaminica nodig. De farmaceutische medicijnen, de zgn. antihistaminica zoals promethazine, acrivastine, clemastine etc, helpen uiteraard tijdelijk de symptomen.

Antihistaminica worden voornamelijk gebruikt ter voorkoming of verlichting van de verschijnselen, die optreden bij een allergische reactie als hooikoorts. Deze medicijnen blokkeren alleen tijdelijk de werking van histamine,  een stof die vrijkomt bij een allergische reactie. Ze pakken de bron van de ziekte niet aan. Daarom kan de ziekte niet door de huidige chemische medicijnen genezen worden.

Transplantaties:
Het laatste voorbeeld van een 'foutje' in het immuunsysteem is het effect op getransplanteerd weefsel. Het is geen echte fout, maar het maakt orgaan en weefseltransplantaties toch bijna onmogelijk. Als je een orgaan transplanteert dan zitten er niet de juiste MHC-kenmerken op de cellen. Het immuunsystem valt dus het getransplanteerde materiaal aan. Deze moeilijkheid kan niet worden voorkomen, maar kan aanzienlijk verminderd worden door een goede overeenkomst in de HLA moleculen van donor en ontvanger. Dat lukt natuurlijk nooit geheel maar voor de rest moet je het dan proberen met afweeronderdrukkende (immunosuppresieve) medicamenten. Natuurlijk is het dan zo dat je de deur open zet voor opportunistische infecties.
Een heel beroerde situatie doet zich ook voor als donororganen worden over gezet in bestraalde ontvangers. De witte cellen in het donororgaan zijn dan actiever dan die van de ontvanger. We spreken dan van een graft-versus-host ziekte. Een soortgelijk verschijnsel kan zich voordoen bij beenmergtransplantaties.